Kunst is niet groot omdat ze revolutionair is

25-10-2014

... ze is revolutionair omdat ze groots is. Voordracht jubileum Universiteitstheater 24 oktober 2014 

Berthe Spoelstra

 terug naar overzicht / scroll ↓ 


Op 24 en 25 oktober 2014 werd in het Universiteitstheater Amsterdam een jubileumconferentie gehouden ter ere van vijftig jaar theater(wetenschap) in Nederland (1964-2014). 

Op 24 oktober om 12.00 uur waren in de Salon Paul Koek ('de kunstenaar heeft recht op risico') en Klaus Bertisch ('de tranen van ontroering in de opera moeten ons denken beïnvloeden en veranderen') aan de beurt. Hieronder de stelling van Berthe Spoelstra.


Uitgesproken op 24 oktober 2014, Faculteit Theaterwetenschap Amsterdam (en gepubliceerd op de jubileumpagina van de Faculteit Theaterwetenschap Amsterdam)

Goedemiddag, voor de komende paar minuten is mijn naam Albert Camus. Ik lees u namelijk een fragment voor, soms letterlijk geciteerd, vaker vrijelijk geïnterpreteerd, uit de voordracht "De kunstenaar en zijn tijd", die Albert Camus hield op uitnodiging van de Haagsche Boekhandels Vereeniging in het jaar 1954.

In onze tijd wordt iedereen, dus ook de kunstenaar, ingescheept in de galei van zijn tijd en daar moet hij zich bij neerleggen, zelfs als hij van oordeel is dat die boot naar haring stinkt. We zitten op volle zee en de kunstenaar moet net als alle anderen roeien als het zijn beurt is.

In onze tijd kan de kunstenaar niet langer hopen dat hij zich afzijdig kan houden van de wereld, om de thema's die hem lief zijn, in afzondering uit te werken. Tot nu toe was onthouding, zo goed en zo kwaad als het ging, in de geschiedenis altijd wel mogelijk. Degene die het er niet mee eens was, kon er het zwijgen toe doen of over iets anders praten. Tegenwoordig is alles veranderd en wordt ook de onthouding gezien als een keuze en als zodanig gestraft of geprezen. En zo wordt ook de kunstenaar, of hij wil of niet, ingescheept.

In de arena van de geschiedenis zijn er altijd een martelaar en een leeuw geweest, maar de kunstenaar zat tot nu toe op de tribune. Hij zong in het beste geval om de martelaar moed in te spreken en de leeuw een beetje van zijn eetlust af te leiden. Nu bevindt de kunstenaar zich in de arena, en dat is een wezenlijk verschil. Zijn stem is niet meer als vroeger. Nee, hij klinkt een stuk minder zelfverzekerd.

Samen met het recht op onthouding is er namelijk iets wezenlijks in de kunst verloren gegaan. Het is de ongedwongenheid, de goddelijke vrijheid die een groots kunstwerk ademt. We kunnen dat natuurlijk betreuren, maar neerslachtigheid verandert niets aan de realiteit. Misschien is het beter om ons tijdperk zijn deel toe te kennen, omdat het dit zo vasthoudend opeist, en rustig te erkennen dat de tijd van de grote meesters, de kunstenaars en genieën is afgesloten. Scheppen vandaag de dag, is gevaarlijk. Ieder kunstwerk is een daad en die daad staat bloot aan de hartstochten van een tijd die niets vergeeft.

De vraag is nu: hoe kan de vreemde vrijheid van het scheppen toch mogelijk blijven - zonder het recht op onthouding - te midden van zo veel wrede werkelijkheid, zoveel wrede ideologieën waar wij onze ogen niet meer voor kunnen sluiten? Hoe kunnen we de kunst voort laten bestaan in een wereld die haar zo bedreigt?

Die vraag kan niet worden onderzocht wanneer we ons beperken tot de bewering dat kunst wordt bedreigd door staatsmachten of politiek. Het probleem is ingewikkelder, dodelijker ook, zodra we ons realiseren dat de strijd zich afspeelt in het binnenste van de kunstenaar zelf. De haat tegen de kunst waarvan in onze samenleving zulke fraaie voorbeelden te zien zijn, is vooral zo wijd verbreid, omdat ze door kunstenaars zelf in stand wordt gehouden. De twijfel van de kunstenaars vóór ons betrof hun eigen talent. Die van de huidige kunstenaars betreft de noodzaak van hun kunst, en dus van hun bestaan.

'Geloof is bij uitstek,' heeft Emerson gezegd, 'gehoorzaamheid van een mens aan zijn eigen genie.' Dit wonderbaarlijke optimisme lijkt tegenwoordig dood te zijn. Nu is een slecht geweten heel gewoon: in de meeste gevallen schaamt de kunstenaar zich voor zichzelf. En dat komt omdat er een vraag is die tegenwoordig steeds vaker wordt opgeworpen: is kunst een leugenachtig luxeartikel voor de bevoorrechte enkeling?

Het is moeilijk om een antwoord op die vraag te formuleren, te midden van het geschreeuw van al die mensen die hardnekkig alles willen vereenvoudigen. Want men wil aan de ene kant dat het genie glansrijk en solitair is, en sommeert het aan de andere kant om op iedereen te lijken. De realiteit is ingewikkelder. Want, zo vatte Balzac het in 1 zin samen: 'het genie lijkt op iedereen, maar niemand lijkt op hem.'

En dit geldt ook voor de kunst, die zonder realiteit niets voorstelt, en omgekeerd: zonder wie de realiteit weinig waard is. Kunst is noch een totale afwijzing van, noch een totale instemming met de werkelijkheid. Ze is tegelijkertijd afwijzing en instemming. En daarom kan ze niets anders zijn dan een onophoudelijke, steeds hernieuwde scheuring.

Als het gaat om de betrekkingen tussen kunst en de wereld, staan er twee opvattingen tegenover elkaar en zij bestrijden elkaar zo bitter. De ene opvatting, het burgerlijk idealisme van amusement, brengt een totale afwijzing van de actualiteit tot uitdrukking. De andere opvatting, de kunst die zich verzet, het socialistisch realisme, wil juist alles verwerpen wat niet tot de actualiteit behoort. En het cynische is dat zij allebei zullen eindigen in opheffing van de kunst.

Een kunstenaar kan zich niet los maken van zijn tijd, noch er volledig mee samenvallen. En precies daar ligt de grootsheid. Kunst is niet groots omdat ze revolutionair is, ze is revolutionair omdat ze groots is.

We moeten ons niet laten misleiden door de huidige uitingen van verpletterend gezond verstand, die bijvoorbeeld zeggen dat je zonder eieren te breken geen omelet kunt bakken. Als dat waar is, moeten kunstzinnige koks van deze tijd meer mandjes met eieren legen dan ze van plan waren en zal de omelet van de beschaving nooit meer stollen... Laten we ons niet langer afvragen of kunst zinloos is, of een luxeproduct. Dat is ze misschien, alles welbeschouwd, maar niet meer of minder dan de wereld zelf.

Werkelijk grote gedachten betreden de wereld, zo is wel eens gezegd, op duivenpootjes. Misschien horen we, als we goed luisteren, te midden van het geraas van naties en politiek, het zachte gestommel van het leven.

Tien jaar nadat Albert Camus de voordracht "De kunstenaar en zijn tijd" hield, werd de vakgroep Theaterwetenschap opgericht. Mijn stelling vandaag is: laten wij vertrouwen hebben in de kunst en deze de ruimte bieden om werkelijk groots te durven zijn.


Berthe Spoelstra studeerde Theaterwetenschap aan de Universiteiten van Amsterdam en Parijs en werkte als (freelance) dramaturg samen met vele regisseurs en gezelschappen. Ze is medeoprichter van Theater Schrift Lucifer en was daar zeven jaar redacteur, had zitting in diverse commissies en jurys (o.m. AFK, FPK, Fons vd Letteren, TIN, Hans Snoekprijs, TheaterFestival). Daarbij gaf ze enkele jaren dramaturgieles aan de Rietveld Academie en keert regelmatig terug als docent bij de UvA, vakgroep Theaterwetenschap. Sinds 2007 is zij dramaturg bij Frascati.