De verwarring van de verwachting

27-03-2005

Over de kritiek op Oom Wanja van Olivier Provily en De Naam van Jacob Derwig: een kritiek op de kritiek 

Berthe Spoelstra

terug naar overzicht / scroll ↓ 


Over Oom Wanja van Olivier Provily (Toneelgroep Amsterdam) en De Naam van Jacob Derwig (De Theatercompagnie) verschenen nogal ongenuanceerde recensies. De kritieken vertonen allerlei overeenkomsten die vooral aantonen hoe de ensceneringen hebben moeten vechten tegen de verwachtingen van de critici. 

gepubliceerd in Theater Schrift Lucifer #0 maart 2005

Verwachting I (droom en werkelijkheid)

De zaal is bepaald niet vol. In de pauze verlaat een flink aantal mensen de schouwburg. "Het grijpt me toch niet", hoor ik achter me. En: "het decor is anders wél erg mooi". Ik loop naar beneden. Bij de koffie zegt een jonge vrouw: "het is me te langzaam." Haar gezelschap aarzelt: "is dat misschien niet juist de bedoeling?" Olivier Provily loopt richting koffie en bier; ik vraag me af of hij dat ook gehoord heeft. Kan een regisseur zijn oren voor zulk dodelijk commentaar afsluiten? Komt hij ooit in een fase waarin het makkelijker wordt relevante meningen te scheiden van minder relevante? Hoe pijnlijk kan het voor een theatermaker zijn te worden geconfronteerd met een voorstelling die 'af' is. Het dwarrelende stof van de droom is gematerialiseerd; de fantasie ontmoet de werkelijkheid. En die werkelijkheid is een publiek dat 'gewonnen' wil worden.

Een anonieme massa neemt plaats in het pluche, slaat de armen en de benen op slot, ritst tassen dicht, plopt met de brillenkoker en kraakt met een verpakking. Het wordt stiller. Gekuch, geschuifel. Ook ik zet nog net op tijd mijn mobiel uit. De lichten doven. Ik hou van dit moment en tegelijkertijd verafschuw ik het. Ik ga naar het theater om een glimp van het paradijs op te vangen, maar kan ik mij afsluiten voor de geluiden uit de zaal? Dat is telkens weer een hele opgave. Misschien ben ik dramaturg geworden om een voorstelling tijdens de repetities helemaal voor mezelf te hebben. Ik kreeg de kans De Naam ontelbare keren vrijwel helemaal alleen te kunnen beleven. Om Oom Wanja te zien, zat ik in de stadsschouwburg, om mij heen de adem van anderen. Als ik niet alleen met een voorstelling kan zijn, zoek ik naar het tegenovergestelde: dat moment waarop de zaal één is in gezamenlijke concentratie.

Oom Wanja: de lichten gaan uit, de zaal ademt. Maar deze keer geen verwachtingsvolle adem. Of beter gezegd: een té verwachtingsvolle adem. Ik lijk te horen: 'overwin mij. Kom maar op, als je kunt en neem mij'. Die avond was dat (achteraf gezien) onbegonnen werk. Want er kwam geen 'van-dik-hout-toneel', geen overdonderende effecten of volume. Deze Oom Wanja bestond uit lange stiltes, onderbroken door aarzelende woorden. Geen felle verhoorlamp in het gezicht, maar kaarslicht. Ook bij De Naam moest de toeschouwer zijn best doen 'te verstaan' wat er werd gezegd. De ruggengraat moest rechtop, de oren omhoog, de hersens uit de televisiestand. En dat was blijkbaar anders dan verwacht.

Een week of wat later, als ik alle recensies over Oom Wanja lees, graaft dat zinnetje zich in mijn gedachten: 'kom en neem mij'. Een publiek dat 'veroverd' wilde worden, ontmoette een nogal zwijgzame voorstelling. En daaruit ontstonden voornamelijk verwarring en irritatie.

Oom Wanja, scenografie Marcel Schmalgemeijer

Verwachting II (criticus en werkelijkheid)

De recensies logen er niet om: Oom Wanja werd in de landelijke dagbladen neergesabeld. Bij De Naam klonken meer positieve geluiden, maar ook daar overheerste een geïrriteerd onbegrip. Ik vraag me af wie er begonnen is. Voelt de criticus dat het publiek 'gegrepen' wil worden en gaat hij daarin mee, danst hij naar de pijpen van zijn lezers? Of heeft de criticus zijn lezers lui gemaakt? Heeft hij dit gedrag gestimuleerd of zelfs veroorzaakt? Ik weet eigenlijk niet wat ik erger vind. In elk geval gedroegen de meeste recensenten zich als verwende prinsesjes die geschaakt willen worden, maar niet weten door wie of hoe.

Wilfred Takken ging voorop. In NRC Handelsblad schreef hij: "Hoewel de jonge regisseur Provily al meer dan drie jaar voor veelbelovend doorgaat, heeft hij weinig succesrijke voorstellingen gemaakt. Telkenmale zijn de critici weer in hem teleurgesteld, maar dat verhindert ze niet om hem veelbelovend te blijven vinden". Deze aanval op de persoon van regisseur Provily onthult in eerste plaats hoe de recensent naar zichzelf en zijn vakbroeders en -zusters kijkt: Vader en Moeder criticus raken weer in hun Jongen teleurgesteld, maar zijn zo genereus hem nog een kans te geven.

De dagbladkritiek over beide voorstellingen laat vooral zien hoe de ensceneringen moeten vechten tegen de verwachtingen van de critici. Nu is er niets mis met verwachtingen. De magie van het theater bestaat bij de gratie van onrealistische en ondefinieerbare hoop. In de toneelrecensies lijkt het echter steeds vaker op een schijngevecht, omdat de criticus gewonnen moet worden, maar zijn wensen niet expliciet maakt. Het oordeel wordt geveld zonder heldere argumentatie. Dat is uiteraard vooral vervelend als het oordeel negatief uitpakt. Soms lijkt er zelfs boos opzet in het spel. De persoonlijke verwachting wordt gepresenteerd als algemeen geldende waarheid: in de recensies over Oom Wanja en De Naam staat een ontstellend grote hoeveelheid persoonlijke verwachtingen, vermomd als feiten. Er is een aantal opvallende overeenkomsten in de recensies over beide voorstellingen. Allereerst geeft vrijwel elke criticus een mening over de manier waarop een stuk van Fosse dan wel Tsjechov gespeeld zou moeten worden. Bijna iedereen stelt vraagtekens bij de vermeende langdradigheid en saaiheid van beide voorstellingen. Dit gaat over de verwachtingen omtrent de auteurs. Daarnaast bespreekt elke recensent de status van Provily en Derwig. Men vraagt zich af of deze voldoet aan de verwachtingen van een 'jong regietalent'. Tot slot is er een vrijwel continue verwarring over de bedoelingen van de regisseur en de manier waarop zijn ideeën worden uitgevoerd.

Verwachting III (criticus en auteur)

Als de criticus in staat is zijn persoonlijke verwachtingen helder onder woorden te brengen en deze naast de voorstelling te leggen, is er in elk geval klaarheid over de maatstaven volgens welke de beoordeling van de voorstelling plaatsvindt. Maar in vrijwel geen van de recensies over Oom Wanja of De Naam, wordt helder uitgesproken wat deze maatstaven zijn. Sterker nog: de argumentatie wordt omgedraaid, waardoor de hoogst persoonlijke verwachting van de recensent wordt gepresenteerd als een waardevrij criterium.

Hein Janssen (Volkskrant) schrijft: "Waar bij Fosse de personages eenduidig zijn, zijn zij bij Tsjechov juist vaten vol tegenstrijdigheden. Alles broeit en borrelt in hen, in alles vlamt een onvervuld verlangen, maar zij maskeren dit met geklaag en gezeur." De personages van Fosse zijn eenduidig, vindt Janssen. Ik ben het daar niet mee eens, maar Janssen presenteert zijn persoonlijke interpretatie als waardheid. Hij gaat door: "Bij Tsjechov moet je koude rillingen voelen, je moet kunnen huiveren, gloeiende wangen en kippenvel krijgen, als het even kan mee snotteren en tenslotte het licht zien." Het is een prachtige beschrijving en een legitieme wens, maar ik MOET niks. Natuurlijk begrijpt de krantenlezer ook wel dat het een persoonlijk wensenlijstje is, toch lijkt de stelligheid van deze opmerking een open kijkhouding tegen te werken. Janssen zegt eigenlijk: 'Tsjechov moet zus en zo, het was anders geregisseerd en dus is het een slechte voorstelling'. Op die manier geeft hij zichzelf (en zijn lezers) bijzonder weinig ruimte om de vooraf aangelegde maatstaf ten aanzien van 'een Tsjechov' aan te passen. Hij vindt dat een klassiek stuk als Oom Wanja de toeschouwer zou moeten overrompelen en wenst ruimte tot identificatie met de personages. Hij lijkt zich niet te hebben afgevraagd of hij wellicht zijn beoordelingscriteria had kunnen aanpassen.

Hanny Alkema schrijft in Trouw: "Eigenlijk is Provily de hele voorstelling bezig de door Tsjechov zo meesterlijk opgeroepen melancholie te illustreren ofwel houdt hij zich onledig met, zoals de term luidt, het rood verven van rode rozen. Op toneel is dat dodelijk. Want saaiaai!" Ook dit is een persoonlijke mening over hoe een toneelstuk van Tsjechov gespeeld dient te worden, waarbij de criteria vooraf al vastlagen en niet worden bediscussieerd. Iemand met de initialen LKvG schrijft op de internetsite Moose: "Waarom kan nog steeds niemand Tsjechov spelen zoals het hoort? In een zogenaamd Tsjechovjaar heb ik nu drie voorstellingen van de grote Rus gezien die de plank totaal misslaan. Oom Wanja als langdradig, traag, onecht tekstdrama. (...) En waarom snappen de Hongaren (...) Anton P. wel? Houd het simpel, persoonlijk, geen afstandelijk lijst toneel." En Jacco vertelt (ook op Moose) over zijn 'Tsjechov-buik': "zo'n wee gevoel van treurnis en gemiste kansen". De voorstelling voldeed daarmee op de valreep toch nog aan zijn verwachtingen.

Arme Tsjechov: honderd jaar na zijn dood is de mystificatie rond zijn persoon compleet. Toch verdienen zijn toneelteksten het te worden beoordeeld met 'eigentijdse', variabele criteria. En het zou al een stuk schelen als de criticus helder maakt dat de recensie een weerslag is van de ontmoeting tussen de voorstelling en één toeschouwer. Daarin is de internetsite Moose in elk geval eerlijk: de 'minirecensies' presenteren onverkort de mening van de auteur (meestal onder pseudoniem of alleen met initialen of voornaam), waarbij zelfs geldt: hoe persoonlijker, hoe beter. Zo schrijft Floortje over De Naam: "Ik miste enorm een derde bedrijf waar de boel eens lekker ging schuren met Ibsensiaanse clichés (zwangere vrouwen die zich van rotsen storten etc.)."

Verwachting IV (criticus en regisseur)

Arme auteur én arme regisseur. Want net als roem een rookgordijn optrekt, zo gebeurt dat ook met het predikaat 'jong en veelbelovend'. Dat 'veelbelovend' wordt zo vaak in de recensies herhaald, dat het wel een vloek lijkt. Wilfred Takken schrijft in NRC: "Helaas, wederom een teleurstelling van Provily. Hij moet dus nog even veelbelovend blijven." Vanwaar dit cynisme? Dat de regisseur de hooggespannen verwachting van de recensent niet waarmaakt is duidelijk, maar een criticus wordt wel vaker teleurgesteld, ook door andere regisseurs. Waar komt de boosheid vandaan? Een zelfde, wat neerbuigende toon heeft Anneriek de Jong als ze (ook in NRC) over Jacob Derwig schrijft: "De briljante Hamlet-vertolker en superslimme medespeler van 't Barre Land komt een heel eind, behalve bij de kern."

"Als acteur behoort Jacob Derwig (34) tot de besten van zijn generatie, maar als regisseur beschikt hij nog niet over een eigen visie. Zijn regiedebuut De Naam is een vaardig gemaakte maar onopvallende voorstelling." Oene Kummer (Spits) formuleert zijn verwachting helder. Zijn veronderstelling is: naam maken doe je als regisseur niet met een ingehouden, subtiele voorstelling, maar met kleur en een zevenklapper. In veel recensies ligt deze verwachting tussen de regels verscholen. Zowel Derwig als Provily wordt meerdere malen verweten een "keuzeloze regie" ('B.K.' over De Naam, Moose) te hebben afgeleverd.

Annette Embrechts (Volkskrant) schreef over een eerdere voorstelling van Olivier Provily: "Toch is het vreemd dat Provily juist met Fosse's stuk Winter probeert naam te maken." Aan het einde van de recensie maakte ze deze gedachte af: "Provily weerspreekt met deze trage voorstelling zijn reputatie als gedurfd regisseur, na zijn tegendraadse vrouwenperformance Demonstranten en het postmoderne vormexperiment Oorlogje." Embrechts zegt hier eigenlijk: een regisseur is 'veelbelovend' omdat hij een gedurfd en tegendraads vormexperiment presenteert. Winter was in haar ogen gewoon niet spectaculair genoeg.

Is dat de maatstaf volgens welke Oom Wanja en De Naam werden beoordeeld? Hanny Alkema (Trouw) schrijft over Oom Wanja: "Wat wel werkt in zijn eigen, al improviserend tot stand gekomen voorstellingen als Oorlogje, die hem prompt tot meest veelbelovend regietalent maakte, werkt niet bij een klassiek repertoire stuk: acteurs en hun rollen ondergeschikt maken aan een thema." Ook Merijn Henfling (Parool) heeft een soortgelijke gedachte: "Bij een Noors stuk over verlangen tussen de fjorden werkt dat prachtig, bij Oom Wanja niet." Kortom: jonge of beginnende regisseurs moeten het publiek en de Nederlandse critici blijkbaar veroveren met veel eigentijds toneelgeweld, opdat het publiek 'een eigen visie' kan beoordelen. Maar een jonge regisseur die zich waagt aan een 'klassieker' zal op voorhand te licht worden bevonden. Zo heilig is blijkbaar 'ons' erfgoed (zie hiervoor ook het artikel van Hana Bobkova over Oom Wanja in dit nummer van Theater Schrift Lucifer).

Veelbelovend is nog niks, maar zou eventueel iets kunnen worden. Ondertussen moeten, volgens oer-Hollandse traditie, de sporen eerst worden verdiend. In mijn ogen hebben veel recensenten zich laten misleiden door het etiket 'jong en veelbelovend'. Het is net alsof ze daardoor niet echt naar de voorstelling zelf hebben gekeken. Zouden Oom Wanja en De Naam anders zijn beoordeeld als geen van de critici wist door wie het was geregisseerd?

Verwachting V (criticus en 'concept')

Een volgend probleem is dat de veronderstellingen over de regisseur vaak zonder meer op de voorstelling worden geplakt. Omdat Provily en Derwig een etiket 'jong en aanstormend' dragen, wordt ook van de voorstelling verwacht dat deze iets 'jongs en stormachtigs' heeft. Daarin zijn de critici kennelijk vrij massaal teleurgesteld, vooral bij Oom Wanja. Nu is de vraag: waarom blijven zij collectief hangen in een bloemrijke omschrijving van niet ingeloste verwachtingen? Waarom doet vrijwel geen van hen een poging te omschrijven wat deze regie, deze voorstelling wél beoogde? Een goede toneelkritiek doet mijns inziens een serieuze poging de voorstelling te begrijpen en te verwoorden: waarom wordt dit stuk, op dit moment en juist op deze wijze geënsceneerd? Wat zegt dat over het tijdgewricht waarin wij leven (volgens de regisseur)? Ik ga er van uit dat toneel niet autistisch is en communiceert met de omgeving waarin het ontstaat. Het is daarom volgens mij één van de taken van de criticus de verbanden tussen 'de buitenwereld' en de wereld die op het toneel wordt getoond, bloot te leggen, te benoemen en bespreekbaar te maken.

Af en toe valt het woordje 'concept', maar dan vooral in negatieve zin: het concept van Provily zou niet passen bij een klassiek repertoire stuk. Maar vrijwel geen recensent doet een serieuze poging dat 'concept' te begrijpen en te verwoorden. Toch blijkt Loek Zonneveld (Groene Amsterdammer) in drie zinnen te kunnen zeggen waar het Provily naar alle waarschijnlijkheid om ging: "Hij koos Tsjechov vanuit een weloverwogen optiek: mensen denken dat ze gelukkig moéten worden. Als dat niet lukt (en meestal lukt dat niet) gaan ze aan het ontbreken van dat geluk mateloos lijden. Daarover gaat Oom Wanja, lijkt de bijna klinische conclusie van regisseur Olivier Provily. Zo heeft hij het stuk benaderd." Wat mij aan deze passage bevalt, is dat Zonneveld er van uit gaat dat Provily keuzes weloverwogen heeft gemaakt. De toeschouwer kan het niet eens zijn met een keuze, maar dat is iets anders dan er (impliciet) van uitgaan dat er niet over is nagedacht.

Ook Hans Oranje (Trouw) bewijst dat het niet ingewikkeld hoeft te zijn een 'concept' te verwoorden. Hij gebruikt slechts één vergelijking om De Naam van een context te voorzien: "In vele stiltes en in afgewende, op niets gerichte blikken bouwt Jacob Derwig (...) het tweede stuk dat Fosse schreef rustig voort naar het volstrekt troosteloze slot, dat in het stilgezette toneelbeeld naar de lithografie 'het schreeuwen' van zijn ook al zo beroemde landgenoot Edvard Munch lijkt te verwijzen."

Opvallend is trouwens dat alle recensenten het er over eens zijn dat het decor van Oom Wanja, die grazige, rechtopstaande graswand, een verademing is. Dat vond ik ook, maar waarom? Waarom werkt die gekantelde, toneelbrede, grasgroene weide zo goed? En waarom is er vrijwel geen enkele gedachte in de recensies terug te vinden over dit decor in relatie tot het 'regieconcept'? Eén van de centrale punten in Oom Wanja is toch Tsjechovs aanklacht tegen het misbruik van de natuur. Het personage Dokter Astrov is gefascineerd door de ontbossing in Rusland en vertelt vol vuur over elke boom die hij plant. De parallel tussen de ontbossing - de troosteloze toestand van de natuur - en de kaalgeslagen leegte tussen de personages is evident. Tsjechov lijkt te willen zeggen (en dit benadrukt ontwerper Marcel Schmalgemeijer in zijn decor): zo wreed als de mens de natuur behandelt, zo gedraagt hij zich ook ten opzichte van zijn medemens. Of andersom natuurlijk.

Verwachting VI (criticus en inleving)

Elke regisseur verdient het dat zijn ideeën over de toneeltekst (het 'concept') naast het uiteindelijke resultaat worden gelegd: op welke manier heeft hij of zij die gedachten over het stuk en de wereld geprobeerd vorm te geven? En waarom is dat wel of niet gelukt? Hans Oranje (Trouw) stelt: "De première van Oom Wanja moet voor de recensenten een frustrerende ervaring zijn geweest, dat zoveel chagrijn de kolommen vulde". Maar waarom irriteerde de voorstelling zo? Hans Oranje doet een poging het te begrijpen: Sonja's "liefde voor dokter Astrov (...) en haar verbondenheid met haar oom Wanja (...) is van een onwaarschijnlijke zelfopoffering die de kritiek in deze voorstelling met landerigheid benoemde". Oftewel: zelfopoffering wordt verward met landerigheid en traagheid. Maar waaróm wekt die zelfopoffering zoveel irritatie?

Volgens Merijn Henfling (Parool) is De Naam als eerste regie van Derwig een geslaagde onderneming. "Dat we desondanks niet helemaal voldaan de zaal verlaten, ligt niet aan zijn regiecapaciteiten. Ook niet aan de acteurs. Nee, de schuldige is auteur Fosse: zijn stuk boeit tot het eind, maar blijft aan de oppervlakte hangen. Een explosie blijft uit, wat we stiekem wel een beetje missen." Afgezien van het misplaatste 'wij' en een al even misplaatste behoefte een schuldige te zoeken voor het onbevredigde gevoel, is het interessant dat Henfling zijn maatstaf uitlegt: goed toneel blijft niet aan de oppervlakte hangen, maar explodeert.

Anneriek de Jong schrijft in NRC over De Naam: "verbaasd bekijk je de ontzaglijke stomheid waarmee zij geslagen zijn, hun hulpeloze gezoek naar woorden, hun gruwelijke gebrek aan levenslust en empathie en perspectief. Alleen; het hunne wordt niet het jouwe; zij gaan niet over in wij. Omdat ze zelf zo hun best doen om al wat vreemd is buiten te sluiten? Of omdat de regie tekortschiet?" En even verderop: "Maar af en toe zou je bij hen naar binnen moeten kunnen kijken, anders blijven ze vlak."

Eerder bleek al dat ook Hein Janssen identificatie en een zekere mate van realisme verwacht: hij noemt het acteren in Oom Wanja geringschattend 'niet-inleving'. Uit de woorden van Anneriek de Jong blijkt dat zij een heel specifiek soort identificatie bedoelt en die is anders dan ze in De Naam ervoer. Liever zou ze een warmer, minder 'afstandelijk' soort identificatie beleven. Dat argument komt ook in vrijwel elke recensie over Oom Wanja terug en daarmee is het verlangen tot identificatie bij beide ensceneringen één van de belangrijkste beoordelingscriteria. Ik vraag me af of inleving echt de enige manier is om 'toegang' tot een enscenering te krijgen. En staat er dan geen enkele andere activiteit van de toeschouwer naast? Cecile Brommer (Het Financieele Dagblad) schrijft over Oom Wanja: "De personages bewegen en handelen zonder grote gebaren of theatrale overdrijvingen, bijna als in een documentaire. Niet de camera zoemt in, maar het oog van de toeschouwer, gestuurd door de choreografie van regisseur Olivier Provily". Was het publiek niet voorbereid op deze 'zelfwerkzaamheid'? Of wordt zo'n beroep op de toeschouwers gewoonweg niet gewaardeerd?

Ik vraag me af of de mogelijkheid tot inleving in Nederland nog steeds een ongeschreven, vaststaande maatstaf is om een toneelstuk te beoordelen. Als identificatie in 'klassieke' (ik zou bijna zeggen Hollywood-achtige) betekenis moeilijker blijkt dan verwacht, blijft de beschouwing van de voorstelling vaak hangen bij de uiterlijke kenmerken van de uitvoering (wordt er nu wel of niet 'geloofwaardig' geacteerd) en is er geen ruimte meer voor een vergelijk met de achterliggende gedachten.

Dappere keuzes (criticus en stilte)

Is er dan geen enkele criticus die wel een gefundeerd betoog houdt, maar toch uitkomt op een negatief oordeel? Jawel, die zijn er: Mieke Zijlmans (Internetmagazine 8weekly) bijvoorbeeld. Ze schrijft: "Iedere uiting van affectie of ontroering ontbreekt. (...) Deze mensen weten niet hoe je liefde moet geven en evenmin hoe je hem moet aannemen. Eenzaamheid is het sleutelwoord. Maar daarvoor neemt Provily wel erg veel tijd, want dat weten we na een half uurtje wel, en het duurt tot ruim na de pauze voordat hij een andere koers kiest." Liever zou ik haar hele kritiek citeren: ze laat zien dat in 638 woorden op gefundeerde wijze negatieve en toch niet zure of allesvernietigende kritiek geleverd kan worden. Daarnaast is ook Hana Bobkova (in haar uitgebreide analyse van Oom Wanja, elders in dit eerste nummer van Theater Schrift Lucifer) niet zonder meer positief: "het was onevenwichtig en in zekere zin minimalistisch, maar er werd zeer radicaal en compromisloos naar waarheid gezocht. Het was gedurfd en provocerend, maar geen rijp werk van een regisseur die al dertig jaar bezig is."

Derwig en Provily namen de tekst die ze onder handen hadden allebei heel serieus. Bij Provily waren bijvoorbeeld de voorgeschreven paardenbellen van de koets te horen, bij Derwig de rusteloze voetstappen ergens in het huis. Maar vooral hoorbaar waren de stiltes in beide stukken, het 'tussen de regels lezen'. Waarom wijdde geen van de recensenten écht aandacht aan die stiltes? Terwijl zoiets toch fascinerend materiaal is, want zo hondsmoeilijk om te spelen. Hoe kun je een simpele zin zo zeggen dat de sfeer strakgespannen blijft en het toch niet onnatuurlijk klinkt? Bij Fosse lijkt dat op pingpongen in slowmotion: speel de bal zo dat je tegenspeler het moeilijk heeft, maar ook weer niet zó moeilijk dat het spel stilligt (omdat hij de bal uit de tuin van de buren moet gaan halen). Derwig: "(...) het is ideaal materiaal voor een beginnende regisseur. Ik hoef geen bepalend concept of actualisering te verzinnen, de tekst zelf is dwingend genoeg." (NRC, voorbeschouwing van Wilfred Takken). Loek Zonneveld schrijft dat Provily de tekst benaderde "zonder een dwingende interpretatie. Tsjechovs meedogenloosheid, de tekst, de personages met liefde volgend." En: "Hij laat het stuk zijn werk doen, staat hoogstens wat verrassende accenten toe."

Het regiedebuut van Jacob Derwig werd aangekondigd als 'een minimalistisch stilleven'. Ook Olivier Provily regisseerde tweemaal een stuk van Fosse: Een zomerdag en Winter. Oom Wanja was zijn eerste grote-zaalvoorstelling. Ik vind dat dappere keuzes. Omdat beide regisseurs het lef hebben niet voor 'effect' te gaan. Ze hebben de verleiding weten te weerstaan om het publiek te overdonderen en in te pakken met volume, kleur en grappen. Hier geen van-dik-hout-toneel. Zij proberen het slijpsel van het tijdsgewricht waarin wij leven te tonen.

Of, zoals Cecile Brommer in Het Financieele Dagblad over de enscenering van Provily schrijft: "Hier heeft iemand met een zeer scherpe én milde blik gekeken naar de (hedendaagse) mens. Hij heeft de culturele tegenstellingen waarmee wij nu kampen (...) herkend in een meer dan honderd jaar oud toneelstuk. (...) Hier zijn geen overwinnaars of verliezers, net als in het echte leven." Provily en Derwig vroegen een actieve houding van de toeschouwers. Daarmee nemen zij zichzelf, maar vooral ook hun publiek serieus. Als nu ook de recensenten dat zouden doen, is er veel gewonnen.

De recensenten hadden bij deze ensceneringen van Oom Wanja en de Naam (onder andere) meer 'kleur en fleur', 'bluf', 'leven in de brouwerij', 'hilariteit', 'smakelijke verbeelding' en 'geloofwaardigheid' willen zien. Roos Tesselaar (AD) schrijft: "vrijwel nergens weet Provily met zijn sobere, sombere regie te verrassen, of te raken". Haar behoefte is helder, maar nergens vraagt ze zich af WAAROM deze voorstelling, deze regisseur, deze auteur haar niet geven wat ze verlangt. Ze geeft de voorstelling zonder verdere gedachte slechts twee van de vijf sterren. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de gemiddelde krantenlezer de theaterzaal wordt uitgeschreven. Zou dat echt de bedoeling zijn? Wie gaat er nu nog kijken na de regels van Hein Janssen in de Volkskrant (over Oom Wanja): "Eén grote ode aan de verveling, de lamlendigheid en de futloosheid (...)"? Zo zuurt de recensent voort...

Dan beter toch nog maar een keer Hans Oranje (Trouw) geciteerd over De Naam: "Is dit nu een voorstelling om aan te raden? Ja, dat is-ie, zoals de in blauwe mist gehulde bergen, het grijze basalt en de eindeloze eenzaamheid van het Noorse landschap schoonheid als huiver langs je rug kunnen laten glijden." Loek Zonneveld (Groene Amsterdammer) besluit zijn tweeluik over Oom Wanja met een krachtige, welgemeende én persoonlijke vloek: "Ik heb een regisseur en een voornamelijk jonge toneelploeg lekker zien vechten met een mooie klassieker. En déze toeschouwer had een prachtige toneelavond. Oké, een cliché: pak de makreel in uw dagblad. Ga daarna kijken. En oordeel zelf, godverdomme!"

Conclusie

De maatstaven volgens welke deze twee ensceneringen zijn beoordeeld, bleken over het algemeen ongeschikt: ze horen meer thuis bij de amusementsindustrie, bij toneel dat in de eerste plaats onderhoudend zou moeten zijn. Dat was blijkbaar één van de eerste verwachtingen van de critici. Dat het dan ook nog ergens over gaat, is blijkbaar alleen maar mooi meegenomen. Een tweede verwachting bij deze ensceneringen had te maken met het etiket 'jong regietalent' dat bij de twee regisseurs zou horen. Ook daarin werd menig recensent teleurgesteld: de voorstellingen waren allebei niet 'jong en stormachtig'. Mijns inziens blijkt uit deze recensies een vrij algemene hang naar zintuiglijke overprikkeling. Maar Derwig en Provily hebben de moed gehad te kiezen voor stilte. Marian Buijs (Volkskrant) schreef een verrassend positieve recensie over De Naam, waarvan de laatste alinea wat mij betreft ook prima past bij Oom Wanja: "Tegenover al het loze lawaai dat de podia vult, zet hij [Fosse] stilte. Zijn personages kijken lang uit het raam, ze zwijgen. En denken. Over de onmacht. En wij denken met hen mee."

Derwig en Provily kozen ervoor om met hun enscenering een poging te doen de juiste woorden te vinden, omdat er soms eenvoudigweg nagedacht moet worden over het ingewikkelde procédé dat leven heet.



Berthe Spoelstra is freelance dramaturg en redactielid van Theater Schrift Lucifer.

De Naam van Jacob Derwig (De Theatercompagnie) ging in première op 6 februari 2004.

Oom Wanja van Olivier Provily (Toneelgroep Amsterdam) ging in première op 19 november 2004.

De volgende artikelen zijn gebruikt:

Ik denk nooit laat mij maar even (Wilfred Takken, NRC, 5-2-04); Regisseur Derwig wil dienstbaar zijn (Pieter Bots, Het Parool, 7-2-04); Braaf regiedebuut van Jacob Derwig (Oene Kummer, Spits, 9-2-04); Broeierige blikken in fantastisch stuk Jon Fosse (Marian Buijs, Volkskrant, 9-2-04); Hier gedijt de liefde niet (Hans Oranje, Trouw, 9-2-04); Subtiele eerste regie van Derwig (Peter Liefhebber, Telegraaf, 9-2-04); Derwig houdt personages op veilige afstand (Anneriek de Jong, NRC, 9-2-04); Jacob Derwig blijkt ook een goed regisseur (Merijn Henfling, Parool, 10-2-04) en verschillende reacties op Moose.

Provily nog te klein voor de grote zaal (Merijn Henfling, Parool, 20-11-04); Oom Wanja in krachteloze regie (Wilfred Takken, NRC Handelsblad, 20-11-04); Een grote ode aan verveling en lamlendigheid (Hein Janssen, Volkskrant, 22-11-2004); Oom Wanja vol opgerekte stiltes, regie Olivier Provily laat te wensen over (Marco Weijers, Telegraaf, 22-11-04); Vergeefs verlangen naar liefde (Mieke Zijlmans op internetmagazine 8Weekly); Oom Wanja gesmoord in landerige landelijkheid (Hanny Alkema in Trouw, 22-11-04); Vervelingsvirus blijk besmettelijk (Roos Tesselaar, Algemeen Dagblad, 24-11-04); Verterende lusteloosheid (Thomas van den Bergh Elsevier, 27-11-04); Stille wanhoop 1 (Loek Zonneveld, Groene Amsterdammer, 27-11-04); Stille wanhoop 2 (Loek Zonneveld, Groene Amsterdammer, 10-12-04); Choreografie van botsende verlangens (Cecile Brommer, Het Financieele Dagblad, 11-12-2004); Oom Wanja is ten onrechte neergesabeld (Hans Oranje, Trouw, 4-1-05); Tsjechov tussen mysterie en alledaagsheid (Hana Bobkova, Theater Schrift Lucifer, 1/2005); verschillende reacties op Moose en: Trage voorstelling van Fosse's Winter (Annette Embrechts, Volkskrant, 27-5-2002).